‘Hij is aangereden op weg naar school’

De nachtmerrie van iedere ouder, die heb ik meegemaakt. Het was dinsdag, ik had een cursus van mijn werk en mijn telefoon stond uit, toen er plotseling twee politieagenten het kantoor binnenkwamen. “Bent u de moeder van Jonathan?” Die vraag alleen al… Het angstzweet brak me uit.  ‘Ja, dat ben ik. Wat is er?’ De agenten vertelden me dat mijn lieve, stoere zoon, die net 9 jaar was geworden, een ernstig auto-ongeluk had gehad. Hij was op weg naar school aangereden en was er slecht aan toe. Of ik mee wilde komen. Mijn man was al in het ziekenhuis.

Jonathan was aangereden onderweg naar school.

Op de achterbank van de politieauto deed ik mijn telefoon aan. Zeven gemiste oproepen van mijn man. Tientallen berichtjes van vrienden, bekenden, ouders van klasgenootjes. ‘Hoi Daniëlle, is het Jonathan?’ ‘Is hij oké?’ Die vraag brandde ook op mijn lippen. Maar de agenten konden niks zeggen, ze wisten alleen dat het ernstig was. De kilometers naar het ziekenhuis waren de langste uit mijn leven. 

Als hij maar blijft leven

Moeder Danielle samen met Jonathan.Moeder Danielle samen met Jonathan.

‘Als hij maar blijft leven, als hij maar blijft leven...’ Die zin bleef ik in mezelf herhalen, als een soort mantra. Ondertussen dacht ik aan de gekste dingen. Dat mijn auto nog vol feestversiering lag, voor het kinderfeestje dat we de volgende dag voor Jonathan zouden vieren. Dat mensen misschien dachten dat ik iets slechts had gedaan, omdat ik op de achterbank van een politieauto zat. En daarna weer dat mantra: ‘Als hij maar blijft leven, als hij maar blijft leven’.

In Zwolle werd ik opgewacht door een verpleegkundige. “Blijft u wel ademhalen?”, was het eerste dat ze tegen me zei. ‘Ze denken hier aan alles’, flitste er door me heen. ‘Jonathan is in goede handen.’ En toen zag ik hem. Vastgebonden op een brancard, met een nekkraag om, zijn ogen dicht, heel veel artsen om hem heen. Ik mocht snel een kus op zijn voorhoofd drukken, daarna moest hij door naar Groningen. Ik voelde een raar soort afstand.

Geen pupilreactie

Jonathan lag in coma en niemand kon ons vertellen of hij bleef leven, zelfs na een paar dagen niet. Hij had geen pupilreactie, niks. Met zijn hoofd heeft hij de voorruit van de auto gebroken, hoorde ik later. Hij stak over omdat hij een meisje uit zijn klas zag aan de andere kant van de straat, hoorde ik weer later. Een nachtmerrie. Ik wachtte nog steeds totdat iemand me wakker zou maken en zeggen: ‘Jonathan zit gewoon op school, hij is veilig, je hebt heel naar gedroomd.’ Maar niemand kwam dat doen. 

IBabs en Julie, de zusjes van Jonathann een hang naar veiligheid, wilde ik per se mijn andere twee dochters om me heen hebben. Ik moest de meiden met eigen ogen zien, weten dat ze veilig waren. Het voelde alsof mijn hele gezin in gevaar was. Ik wilde mijn wereldje klein houden. Daarom was het Ronald McDonald Huis zo’n uitkomst. Babs en Julie mochten er gewoon bij zijn, bij ons en bij hun grote broer. Ik vond dat heel belangrijk. Toen ik kind was, is mijn zusje overleden. In die tijd werd je daar als kind niet bij betrokken. Ik neem mijn ouders niets kwalijk, maar ik dacht wel: dat gaan we nu anders doen. Als Jonathan het niet redt, mogen zijn zusjes erbij zijn.

Jonathan samen met zijn ouders en zusjes.In het Ronald McDonald Huis hoefde ik me niet groot te houden. Mijn man en ik zaten huilend op het terras van het Huis, niemand die raar opkeek. Ik hoefde niet sociaal te doen, geen moeilijke vragen te beantwoorden en ondertussen werd alles voor ons geregeld. Een slaapplek, opgemaakte bedden, een kookplek, bedden voor de meiden. ‘Hier kunnen we overleven’, dacht ik terwijl ik rondkeek.

Sprankje hoop

Na zes dagen mocht Jonathan van de beademing af. Een sprankje hoop. Maar hij kwam nog steeds niet bij. Een MRI-scan liet zien dat hij een hele ernstige hersenbeschadiging heeft. “Als hij blijft leven, moet je opnieuw kennismaken met je zoon”, zei de arts. Uren, dagen zaten we aan zijn bed, maar we kregen geen contact met hem. Heel gek, want al die tijd had ik gedacht: als hij maar blijft leven. Ineens realiseerde ik me: hij leeft nog, maar we hebben nu het lichaam van ons kind. Is hij er nog wel?

"Het Ronald McDonald Huis was onze veilige plek"

Totdat Jonathan op een dag ineens zijn vader aankeek, met een slaapdronken blik. “Weet je wie ik ben?”, vroeg Adriaan. “Papapapa”, klonk het zacht. Jonathan was een beetje terug. Maar hij moest alles opnieuw leren. Eerst vanuit Groningen, waar wij steeds bij hem waren en elke stap konden volgen. Later vanuit het revalidatiecentrum naast de Ronald McDonald Hoeve, waar wij weer dicht bij hem konden zijn. Met vrijwilligers die precies op het juiste moment iets liefs zeiden. Vrienden die voor ons kwamen koken, toen wij op het dieptepunt alleen leefden op bananen, koekjes en energiedrankjes. In het Ronald McDonald Huis kon alles, niks was te gek. Het was onze veilige plek.

Weer naar school

JonathanJonathan gaat nu weer naar zijn oude school, hij zit zelfs weer in zijn oude voetbalteam. Hij is een vechter. Maar hij heeft er wel schade aan overgehouden. Wij plannen zijn activiteiten voor hem, hij vindt het lastig om overzicht te houden. Ook kan hij weinig prikkels aan. Het geeft niet, ik prijs mezelf ontzettend gelukkig dat hij er nog is. En ik deel dit verhaal met u omdat ik wil dat u weet hoe belangrijk een Ronald McDonald Huis is. In de nood van je leven een plek hebben waar je dicht bij je kind kunt zijn… Ik had nooit verwacht dat het zo’n impact zou hebben.

Daniëlle

 

Lees meer verhalen

Laat een ziek kind niet alleen. Word donateur.

ik doneer maandelijks: